Het aantal mannen dat kiest voor een baan als basisschoolleraar neemt toe. Vorig jaar haalden 858 mannen hun lesbevoegdheid, het hoogste aantal in jaren. Toch blijft de meester op veel basisscholen nog altijd een uitzondering.
Joël van der Hoeven studeerde dit jaar af en werkt inmiddels als onderwijsassistent. In Call It A Day vertelt hij over zijn werk, wat hem daarin aanspreekt en waarom werken in het onderwijs volgens hem niet voor iedereen is weggelegd. Hij herkent dat meer mannen voor het onderwijs kiezen, al ziet hij die ontwikkeling vooral in het voortgezet onderwijs. “In het basisonderwijs blijft het aantal mannen helaas echt nog achter.”
Van de nieuwe basisschoolleraren is inmiddels ongeveer één op de vijf man. Tien jaar geleden was dat nog ongeveer één op de zeven. Ook op de pabo's is die verandering zichtbaar. Het aandeel mannelijke studenten steeg van bijna 20 procent in het studiejaar 2015/2016 naar ruim 23 procent in 2023/2024.
Toch is het verschil tussen mannen en vrouwen in het basisonderwijs nog altijd groot. Volgens cijfers van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) was in 2022 87 procent van het onderwijzend personeel in het primair onderwijs vrouw. Ongeveer 13 procent was man.
Meer diversiteit onder leerkrachten kan volgens onderzoek verschillende voordelen hebben. Zo krijgen leerlingen verschillende rolmodellen en kan een divers team bijdragen aan een inclusievere omgeving voor zowel leerlingen als medewerkers. (De Visser et al., 2021).
Lesgeven op een basisschool wordt volgens het onderzoek minder vaak gezien als een typisch vrouwenberoep dat vooral draait om werken met jonge kinderen. Het beeld van het vak verandert. Hierdoor kiezen steeds meer mannen voor de pabo.
Ook de arbeidsvoorwaarden zijn veranderd en de loonkloof is gedicht. Een lange tijd verdienden leraren in het basisonderwijs minder dan collega's in het voortgezet onderwijs. Sinds 2022 zijn die salarisverschillen grotendeels weggewerkt.
Het beeld dat potentiële mannelijke studenten hebben van het beroep, lijkt niet altijd te kloppen met de praktijk, blijkt uit onderzoek van het ministerie van Onderwijs. Het werk in het onderwijs is breder dan alleen voor de klas staan. Dat merkt Van der Hoeven ook in zijn werk als onderwijsassistent. “Mijn rol als onderwijsassistent is dat ik zowel voor de klas sta, als naast de docent.” Het leukst vindt van der Hoeven het individueel begeleiden van kinderen.
Daarbij gaat het volgens hem bijvoorbeeld om leerlingen die Nederlands niet als moedertaal hebben, maar ook om kinderen die sociaal of vakinhoudelijk moeite hebben op school. Juist die begeleiding levert hem veel op. “Je krijgt zoveel waardering van de leerlingen, echt enorm veel.”
Tegelijkertijd kan het werk lastig zijn. Zo zitten er soms twintig tot dertig leerlingen in een klas, allemaal met een eigen hulpvraag. Tijdens zijn opleiding ontdekte Van der Hoeven steeds beter welke rol bij hem past en wie hij wil zijn in het onderwijs.
Ook pabo's proberen beter aan te sluiten bij mannelijke studenten. Op sommige opleidingen wordt er bijvoorbeeld op gelet dat een mannelijke student niet als enige man in een klas of tijdens een stage terechtkomt. Ook kunnen mannelijke docenten en begeleiders als rolmodel worden ingezet.
Dat is niet zonder reden. Mannen stoppen relatief vaak voortijdig met de pabo. Mannen die de opleiding wel afronden, komen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek uiteindelijk in een andere functie terecht, vaker dan vrouwen. Ze gaan bijvoorbeeld aan de slag als manager, onderwijsdeskundige of docent in het voortgezet onderwijs.