In de nacht van zaterdag 28 op zondag 29 maart gaat de zomertijd in. Om 02.00 uur wordt de klok een uur vooruitgezet naar 03.00 uur. Dat betekent: een uur korter slapen, maar daar staat tegenover dat het ’s avonds langer licht blijft.
Nederland voerde de zomertijd in 1977 in om aan te sluiten bij de buurlanden. Sinds 1980 zijn de afspraken over zomer- en wintertijd binnen Europa op elkaar afgestemd. In bijna alle Europese landen gaat de klok in het voorjaar een uur vooruit en in het najaar weer een uur achteruit. Het oorspronkelijke idee daarachter was energiebesparing: door beter gebruik te maken van daglicht zou minder kunstlicht nodig zijn.
De discussie over het afschaffen van de zomertijd laait nog altijd regelmatig op. Sommige mensen hebben last van de overgang, bijvoorbeeld door een verstoord slaapritme, minder energie of concentratieproblemen. De Europese Commissie stelde jaren geleden voor om te stoppen met het verzetten van de klok, maar daar is nog altijd geen definitief besluit over genomen.
Als er ooit wordt gekozen voor één vaste tijd het hele jaar door, dan heeft dat ook nadelen. Bij een permanente zomertijd zou het in de winter later licht worden in de ochtend. Dat kan vooral onhandig zijn voor mensen die vroeg beginnen met werken of naar school gaan.