Ricardo Fecken: voetbal stopt niet na een amputatie

Foto: ZO!34

Voor Richard Fecken begon een nieuw hoofdstuk van zijn sportcarrière na zijn amputatie. Als verdediger van het Nederlands amputatievoetbalteam staat hij weer op het veld. Voetbal is mijn uitlaatklep. Dat blijft ondanks de amputatie.”

In het Sportcafé vertelt hij waarom het teamgevoel misschien nog wel groter is in zijn huidige team en wat amputatievoetbal mentaal en fysiek van spelers vraagt.

Amputatievoetbal

Ricardo Fecken is verdediger in het Nederlandse amputatievoetbal. Hij traint en speelt met de nationale selectie die onder de vlag van de KNVB opereert en in Zeist samenkomt voor trainingen en interlands.

Fecken verloor zijn linker onderbeen na een ongeval en stopte toen noodgedwongen met voetbal. “Voetbal is mijn uitlaatklep en ik miste het enorm. Het is en blijft de mooiste sport voor mij.” Bij amputatievoetbal spelen zes spelers zonder prothese, in plaats daarvan gebruiken ze krukken. “Alle spelers missen een been en de keeper een arm”, vertelt Fecken.

Het spel wordt gespeeld op een kleiner veld, een half veld en kent aangepaste regels, maar het tempo en de fysieke belasting liggen hoog. “Na een toernooi van enkele dagen spelen, ben je echt kapot.”

Met het Nederlands team neemt Fecken deel aan internationale toernooien, waaronder Europese competities en Nations League-wedstrijden. Nederland staat nog in de beginfase. In andere landen, zoals Turkije en Polen, is de discipline verder geprofessionaliseerd. Toch zet de KNVB in op verdere ontwikkeling van deze para-voetbalvorm met trainingen in Zeist en de deelname aan internationale toernooien.

Toekomst

Fecken blijft graag voetballen bij zijn team. “Het teamgevoel is extra fijn”, vertelt hij, “iedereen heeft iets meegemaakt en we hebben ook wel samen onze galgenhumor.” Wel is Fecken naast voetballer, ook vader van twee kinderen met een derde onderweg en heeft hij een eigen bedrijf en zorgboerderij. “Ik train niet meer zoveel als dat ik deed, maar ik wil wel graag toernooien blijven spelen zo lang het nog kan.”